realestate-algarve.info home your portugal information source to real estate and living in portugal
 SELECT CATEGORY:
 
 
   

105-E Offshore situation 2007 : Offshores & Mortgages
103-E Mortgages : Offshores & Mortgages
109-E Buying, Selling & Cost 2008 : Buying & Selling
104-E Changing offshore taxation : Offshores & Mortgages
100-E Realestate-Algarve : Home
101-E Business profile : About Us
118-E Building & Architects : Building
107-E Education in Portugal : Education
106-E Tax on Rental Income : Taxation & Succession
120-E Building restrictions in Portugal : Building
110-E SZA-Homecare : Health
114-E Long term property rentals : Letting and Rentals
116-E Tax evation & Tax planning : Taxation & Succession
121-E New tax reforms on realestate : Taxation & Succession
111-E Tax on Rental Income : Taxation & Succession
115-E AFPOP : General
117-E Architects : Building
119-E Project Management : Building
122-E Buying or Building : Building
123-E New property tax laws 2004 : Taxation & Succession
124 E Other mortgages : Offshores & Mortgages
134-E Fiscal Representation : Taxation & Succession
112-E Taxation in Portugal : Taxation & Succession
144-E Letting your property in Portugal : Letting and Rentals
142-E Legalisation of illegal buildings : Building
145-E Property licening : News letters
145-E Reversed mortgages : Offshores & Mortgages
146-E Newsletter March 2006 - 1 : News letters
147-E Newsletter March 2006 - 2 : News letters
150-E Newsletter March 3 : News letters
151-E Newsletter April 1 Rentals : News letters
152-E Newsletter 2 April 2006 : News letters
153-E Rentals license - the total picture : Letting and Rentals
100-E About Realestate Algarve 2006 : About Us
154-E Property Management : Property Management
155-E Again about rentals. : News letters
156-E Rentals and no progress : News letters
157-E Fiscal Number : Taxation & Succession
158-E Possible change in off-shore taxation : Offshores & Mortgages
159-E New Residency Laws : General
190-E Short term rentals : Letting and Rentals
160-E Documents needed for title Deed (Escritura) : Buying & Selling
161-E Development control : Building
162-E Capital Gains again : Taxation & Succession
164-E Tax on Expatriates : Taxation & Succession
165-E Hunting : Miscellaneous
166-E Villa licensing and no progress : Letting and Rentals
167-E Algarve Resident Feb. 2007 : News letters
168-E ReAct Discretionary Trust : Taxation & Succession
169-E Off-Shores and Trusts : Offshores & Mortgages
170-E Reverse home schemes : Offshores & Mortgages
171-E April 2007 : Letting and Rentals
172-E Tax Amnersty for British off-shore accounth : Taxation & Succession
173-E Off-Shore Bank accounts : Taxation & Succession
174-E Short-term holiday letting : Letting and Rentals
175-E Property Management Agreement : Property Management
176-E Equity release schemes : Offshores & Mortgages
177-E Holiday let licening : Letting and Rentals
178-E English inheritance tax : Taxation & Succession
179-E Holiday lets and Rental Income : Letting and Rentals
180-E Buying off-plan : Buying & Selling
181-E Setting up a company : Business structures in Portugal
182-E Calculation C.G.T. : Taxation & Succession
183-E Trusts : Offshores & Mortgages
184-E Tax retuns (IRS) 2007 : Taxation & Succession
185-E New Road Tax : Taxation & Succession
186-E Driving license renewal : General
187-E Valuations : General
188-E New Tourist Rental License : Letting and Rentals
189-E New Car tax system 2008 : Taxation & Succession

009-D Thuiszorg in de Algarve : Gezondheid & Soc.Verzekeringen
014-D Sociale Verzekeringen : Gezondheid & Soc.Verzekeringen
019-D Bouwbeperkingen in de Algarve : Bouwen
011-D AWBZ : Gezondheid & Soc.Verzekeringen
001-D Over Ons : Algemeen
004-D Makelaardij in Portugal : Algemeen
003-D Hypotheken in Portugal : Offshore & Hypotheken
005-D Belastingen in Portugal 2005 : Belastingen & Erfrecht
008-D Veranderingen in offshore per 1/1/02 : Offshore & Hypotheken
015-D Kwalitatief Marktonderzoek : Belastingen & Erfrecht
013-D Ziektekosten verzekering : Gezondheid & Soc.Verzekeringen
017-D Kopen en Wonen in Portugal : Algemeen
018-D Bouwbegeleiding : Bouwen
007-D A.F.P.O.P. : Diversen
009-D Kopen en verkopen & kosten : Algemeen
024-D Nieuw Nederlands belastingstelsel : Belastingen & Erfrecht
000-D Realestate-Algarve : Home
020-D Verbouwen van een boerderij : Bouwen
036-D December 2002 : Nieuws uit de kranten
025-D Veranderingen in makelaardij : Algemeen
002-D Makelaars in Portugal : Algemeen
023-D Huren voor een langere termijn : Huur en Verhuur
012-D Belastingontduiking & Belastingplanning : Belastingen & Erfrecht
016-D Veranderingen in belasting onr. goed per 1-1 : Belastingen & Erfrecht
027-D Nieuwe belastingwetgeving 2004 Patrimonium : Belastingen & Erfrecht
003-D Hypotheek Info RABO : Offshore & Hypotheken
028-D Buitenlandse spaartegoeden per 1-1-2005 : Belastingen & Erfrecht
029-D Inkomstenbelasting of I.R.S. : Belastingen & Erfrecht
030-D Belasting vertegenwoordiging : Belastingen & Erfrecht
031-D Nieuwe makelaardij wetgeving : Makelaardij
032-D Ficha Tecnica de Habitação : Bouwen
033-D I.M.I. - Onroerende zaak belasting : Belastingen & Erfrecht
037-D Uitwisseling gegevens rentetegoeden : Belastingen & Erfrecht
035-D Erfrecht procedure : Belastingen & Erfrecht
036-D Naheffing in SISA : Belastingen & Erfrecht
038-D Vermogenswinstbelasting : Belastingen & Erfrecht
039-D Het Nieuwe Nederlandse Erfrecht : Belastingen & Erfrecht
041-D Sociale lasten onafhankelijke werkers : Gezondheid & Soc.Verzekeringen
042-D Legalisatie illegale bouw : Bouwen
043-D Een eigen bedrijf in Portugal : Zakenlijk
044-D Verhuur van Uw huis in Portugal : Huur en Verhuur
045-D Aangifte inkomsten uit werkbetrekking : Belastingen & Erfrecht
046-D Belastingaangifte uit arbeid : Belastingen & Erfrecht
047-D Wie is belastingplichtig in Portugal : Belastingen & Erfrecht
048-D Nieuwe Huurwet 2006 : Huur en Verhuur
049-D Overlijdensakte : Gezondheid & Soc.Verzekeringen
051-D Is een off-shore nog de moeite waard? : Offshore & Hypotheken
052-D Wat te doen indien U nog een off-shore heeft : Offshore & Hypotheken
053-D Maken van testament en echtscheiding. : Belastingen & Erfrecht
062-D Vermogenswinstbelasting in Spanje : Belastingen & Erfrecht
063-D Medische behandeling in Nederland : Gezondheid & Soc.Verzekeringen
064-D Korte termijn verhuur : Huur en Verhuur
054-D Aftrekbare medische kosten voor IRS : Belastingen & Erfrecht
005-D Belasting en Erfrecht 2006 : Belastingen & Erfrecht
055-D Niet of te late betaling van belastingen : Belastingen & Erfrecht
056-D AOW & ANW uitkeringen : Gezondheid & Soc.Verzekeringen
057-D Afhandeling erfenis in Portugal : Belastingen & Erfrecht
058-D Huishoudelijk Personeel : Personeel
059-D Witwassen geld : Belastingen & Erfrecht
060-D Vermogenswinst belasting in EG : Belastingen & Erfrecht
061-D Schenken aan kinderen : Belastingen & Erfrecht

email article print article024-D Nieuw Nederlands belastingstelsel

VOORWOORD door Robert M.L. Snapper:
Begin 2002 werd ik benaderd door Mariam Berghorst. Zij had de opdracht gekregen om een afstudeerscriptie te schrijven als afsluiting van haar studie M.E.R. (Makelaardij-Economie-Rechten)  aan de Hoge School Eindoven, over het kopen van een 2e huis door Nederlanders in Portugal en de fiscale gevolgen daarvan.
Gaarne heb ik aan haar verzoek om informatie over Portugal – het off-shore gebeuren en andere aspecten voldaan en de uitkomst van dit zeer gedegen onderzoek vindt u hieronder met haar toestemming en die van haar mentoren onverkort afgedrukt.
Miriam studeerde dit jaar af aan de Hoge School en studeert nu Rechten (verkort doctoraal-traject) in Groningen.


VERDRAG TER VOORKOMING VAN DUBBELE BELASTING TUSSEN NEDERLAND EN PORTUGAL

Algemene beginselen inzake internationale dubbele belastingen

Voor het inzichtelijk maken van de werking van het verdrag ter voorkoming van dubbele belasting tussen Nederland en Portugal, zullen eerst de algemene beginselen inzake internationale dubbele belastingen die hieraan ten grondslag liggen, worden geschetst.

Internationaal belastingrecht & heffingsbeginselen
Het internationale belastingrecht omvat het geheel van rechtsregels, die de bevoegdheid van soevereine staten afbakent, om in grensoverschrijdende gevallen belasting te heffen. Het internationale belastingrecht richt zich met name op situaties, waarin internationale dubbele belastingheffing dreigt en hoe zij kan worden voorkomen. Van belang hierbij zijn de heffingsbevoegdheden van de nationale overheden. Deze berusten op een drietal heffingsbeginselen.

1. Woonplaatsbeginsel (binnenlandse belastingplicht)
Volgens het woonplaatsbeginsel mag de staat belasting heffen van alle natuurlijke personen, die op haar grondgebied wonen en van alle lichamen, die op haar grondgebied gevestigd zijn.
Het woonplaatsbeginsel is een subjectief heffingsbeginsel.
2. Het nationaliteitsbeginsel
Het nationaliteitbeginsel houdt in dat de staat belasting mag heffen van diegenen, die haar nationaliteit bezitten, ongeacht de feitelijke woonplaats of de plaats waar het belastingobject zich bevindt. Het nationaliteitsbeginsel is een subjectief heffingsbeginsel.
3. Het bronbeginsel (buitenlandse belastingplicht)
Het bronbeginsel houdt in dat de staat belasting mag heffen over de inkomsten die op haar grondgebied worden verkregen. Met andere woorden de heffing vindt plaats in het land waar het belastingobject zich bevindt. Het bronbeginsel is een objectief heffingsbeginsel.

Belastingverdragen
De voornaamste functie van verdragen is de verdeling van heffingsbevoegdheden tussen de verdragsluitende staten. Belastingverdragen vertellen welke staat mag belasten. Of en hoe er belasting wordt geheven bepaalt de nationale wetgeving van de staat aan wie het verdrag de heffingsbevoegdheid toewijst. Of die betreffende staat over de aan hem toegewezen inkomsten ook daadwerkelijk belasting heft of kan heffen speelt in de verdragsbepalingen geen rol. Nederland heeft met ongeveer 60 landen een belastingverdrag inzake inkomen en vermogen gesloten. Dankzij het gesloten belastingverdrag met Portugal is het netwerk van Nederlandse verdragen met EG- en OESO- landen afgerond.

De geldingskracht van een verdrag is gebaseerd op art. 94 van de Grondwet. Een verdrag is van hogere rechtsorde dan de Nederlandse nationale wet. Dat geldt zowel voor bilaterale belastingverdragen, die Nederland met diverse staten heeft afgesloten, als voor de multilaterale verdragen betreffende de EEG en de mensenrechten, die Nederland collectief met een aantal staten heeft afgesloten.

Art. 94 Grondwet
Binnen het koninkrijk geldende wettelijke voorschriften vinden geen toepassing, indien deze toepassing niet verenigbaar is met een ieder verbindende bepalingen van verdragen en besluiten van volkenrechtelijke organisaties.
Indien een belastingverdrag niet in overeenstemming is met de Nederlandse belastingwet, dan wordt die Nederlandse belastingwet niet toegepast. Verdragsbepalingen zijn dus van hogere orde dan nationale wetten en onderscheiden zich door autonomie, voorrang en directe werking.

OESO- modelverdrag 1992
De verdeling van de heffingsbevoegdheid tussen staten in de verdragen is gebaseerd op het OESO- model verdrag. OESO is de organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling, waarvan de meeste geïndustrialiseerde staten lid zijn. De organisatie heeft modelverdragen opgesteld die als leidraad dienen bij het sluiten van een verdrag tussen twee staten, die lid zijn van de OESO. De modelverdragen gaan hoofdzakelijk over inkomen en vermogen en in mindere mate over successie- en schenkingsrechten.

Oorzaken van dubbele belasting
Internationale dubbele belasting kan verschillende oorzaken hebben. De dubbele belasting wordt name veroorzaakt doordat de meeste staten aan een belastingstelsel een aantal principes ten grondslag hebben gelegd die elkaar deels overlappen. Het gaat om het woonstaat-, het bronstaat- en het nationaliteitsprincipe. Daarnaast kan als oorzaak worden aangegeven dat landen bij het vaststellen van de belastingplicht verschillende grondslagen hanteren. Ook kan het voorkomen dat landen bij de vaststelling van de belastingplicht wel dezelfde grondslagen hanteren, maar deze verschillend interpreteren. Tenslotte kan als oorzaak worden aangemerkt dat landen vermogensbestanddelen verschillend kwalificeren.

Methoden ter voorkoming van dubbele belasting
Door het hanteren van drie basismethoden in belastingverdragen kan internationale dubbele belasting geheel of gedeeltelijk worden voorkomen:
1. De vrijstellingsmethode (exemption method)
2. De verrekeningsmethode (tax credit method)
3. De aftrekmethode (deduction method)

Ad.  1 De vrijstellingsmethode heeft als uitgangspunt dat, wanneer de woonstaat op grond van een verdrag niet mag heffen, het desbetreffende inkomen geheel buiten beschouwing wordt gelaten.
Ad.  2 Bij toepassing van de verrekeningsmethode is het gehele buitenlandse inkomen bestanddeel van het in de woonstaat te belasten (wereld)inkomen. Het (gehele) wereldinkomen is dan in de woonstaat aan belastingheffing onderhevig, naar het daar geldende (progressieve) tarief. Vervolgens wordt de buitenlandse belasting verrekend, waarvoor de volgende methoden kunnen gelden. 
Er kan sprake zijn van buitenlandse belasting, die geheel wordt verrekend (full credit), beperkte verrekening tot het bedrag dat volgens binnenlandse belastingtarieven verschuldigd zou zijn over buitenlands inkomen (ordinary credit) en van meer verrekening dan er aan buitenlandse belasting betaald is (tax sparing credit).
In Nederland wordt de verrekeningsmethode veel toegepast. In geval van inkomstenbelasting wordt dan eerst de inkomstenbelasting berekend alsof het gehele inkomen in Nederland is genoten. Vervolgens moet de verhouding tussen het buitenlandse inkomen en het wereldinkomen worden bepaald. Daarna kan de korting worden berekend.
Ad.  3 Ingevolge de aftrekmethode komt de in het buitenland betaalde belasting als een kostenvorm in mindering op de belasting over het wereldinkomen, dat wordt belast in de woonstaat.
De aftrekmethode speelt in de verdragen met betrekking tot voorkoming van dubbele belasting vrijwel geen rol. Het is een methode die doorgaans wel in de nationale wetgeving wordt gebruikt en met name bedoeld is voor situaties, waarbij verdragen en eenzijdige regelingen géén oplossing bieden.

Besluit voorkoming dubbele belasting 2001 (Bvdb 2001)
Ter voorkoming of verzachting van dubbele belasting kan een beroep worden gedaan op een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting tussen Nederland en de andere staat of, wanneer er geen belastingverdrag van toepassing is op het besluit voorkoming dubbele belasting 2001 (hierna: Bvdb 2001). Het Bvdb 2001 is een aanvullende en eenzijdige regeling, die door Nederland is getroffen en is gebaseerd op art. 38 AWR. Van belang is dat een belastingverdrag zowel betrekking heeft op binnenlandse als op buitenlandse belasting-plichtigen en dat het Bvdb wordt doorgaans alleen toegepast op binnenlandse belastingplichtigen. Daarnaast is belangrijk dat het verdrag ter voorkoming van dubbele belasting tussen Nederland en Portugal zowel geldt boven het Bvdb 2001 alsmede andere Nederlandse belastingwetgeving. 

Verdrag ter voorkoming van dubbele belasting tussen Nederland en Portugal

Op 20 september 1999 is een verdrag tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting getekend tussen Nederland en Portugal.
Het verdrag voorziet in de verdeling van heffingsbevoegdheden tussen Nederland en Portugal met betrekking tot belastingen van inkomen, winst en vermogen. Het verdrag is namens Nederland ondertekend door de Directeur- Generaal voor Fiscale Zaken, de heer Witteveen, en namens Portugal door de Portugese Minister van Financiën, de heer De Sousa Franco. Hierna zullen de artikelen uit het gesloten belastingverdrag, die betrekking hebben op onroerende zaken in Portugal worden behandeld.

Art. 6 Inkomsten uit onroerende zaken
Lid 1 van dit artikel regelt het volgende:
“Inkomsten verkregen door een inwoner van een Verdragsluitende Staat uit onroerende zaken (waaronder begrepen voordelen landbouw of bosbedrijven), die in die andere Verdragsluitende staat zijn gelegen mogen in die andere staat worden belast" 

Wanneer nu als voorbeeld uitgegaan wordt van de heer Rembrand die in Nederland woont en een tweede (vakantie)huis in Portugal heeft, dan wordt de heer Rembrand op grond van het woonplaatsbeginsel door Nederland aangemerkt als binnenlandse belastingplichtige. De binnenlandse belastingplicht in Nederland heeft tot gevolg dat belasting wordt geheven over het gehele wereldinkomen. In beginsel worden dus ook de inkomsten uit het tweede (vakantie)huis in Portugal van de heer Rembrand in de Nederlandse belastingheffing betrokken. Echter, art. 6 eerste lid van het gesloten belastingverdrag tussen Nederland en Portugal sluit een heffing in Portugal over de inkomsten uit het tweede vakantie(huis) in Portugal niet uit. Dit zou voor de heer Rembrand inzake de onroerende zaak in Portugal kunnen leiden tot zowel een belastingheffing in Nederland als in Portugal. Om nu dubbele belasting te voorkomen, dient Nederland aan de heer Rembrand een voorkoming van dubbele belasting te geven. Hierbij wordt als uitgangspunt genomen dat het heffingsrecht over inkomsten uit een onroerende zaak toekomt aan de staat, waarin de desbetreffende onroerende zaak is gelegen.


Artikel 13 Vermogenswinsten
Lid 1 van dit artikel regelt het volgende:
"Voordelen verkregen door een inwoner van een Verdragsluitende Staat uit vervreemding van onroerende zaken, zoals bedoeld in artikel 6 en die zijn gelegen in de andere Verdragsluitende staat, mogen in die andere Staat worden belast".

De werking van dit artikel geschiedt op dezelfde wijze als bij het in de vorige paragraaf genoemde artikel met betrekking tot inkomsten uit onroerende zaken. Wanneer nu weer de situatie van de heer Rembrand wordt genomen en hij zijn tweede (vakantie)huis in Portugal wenst te verkopen, zal de mogelijk behaalde verkoopwinst voor de heer Rembrand in eerste instantie op grond van het woonplaatsbeginsel in de Nederlandse heffingsgrondslag worden betrokken. Ingevolge art. 13 eerste lid mag daarentegen ook Portugal heffen over de verkoopwinst. Om dubbele belasting te voorkomen komt wederom de heffing ten aanzien van vervreemdingsvoordelen toe aan de staat, waarin de desbetreffende onroerende zaak is gelegen (Portugal). Nederland dient derhalve voorkoming van dubbele belasting te geven.

Artikel 24 Vermijding van dubbele belasting
Met betrekking tot de artikelen 6 (inkomsten uit onroerende zaken) en 13 (vermogenswinsten) in het belastingverdrag wordt de vermijding van dubbele belasting in het tweede en derde lid van artikel 24 van dit verdrag als volgt geregeld: 

Art. 24 lid 2
"Nederland is bevoegd bij het heffen van belasting van zijn inwoners in de grondslag waarnaar de belasting wordt geheven, de bestanddelen van het inkomen of vermogen te begrijpen, die overeenkomstig de bepalingen van dit Verdrag in Portugal mogen worden belast".

Art. 24 lid 3
"Indien een inwoner van Nederland bestanddelen van het inkomen verkrijgt die volgens artikel 6 en het eerste en tweede lid van artikel 13 dit Verdrag in Portugal mogen worden belast en die in de in het tweede lid bedoelde grondslag zijn begrepen, stelt Nederland deze inkomensbestanddelen vrij door een vermindering van zijn belasting toe te staan. Deze vermindering wordt berekend overeenkomstig de bepalingen in de Nederlandse wetgeving tot het vermijden van dubbele belasting. Ten dien einde worden genoemde inkomensbestanddelen geacht te zijn begrepen in het totale bedrag van de bestanddelen van het inkomen, die ingevolge de bepalingen van Nederlandse belasting zijn vrijgesteld". 

Op grond van het tweede lid van artikel 24 is Nederland in eerste instantie bevoegd om onroerende zaken gelegen in Portugal ingeval van een binnenlandse belastingplichtige in de heffingsgrondslag te betrekken. Een binnenlandse belastingplichtige wordt immers belast op grond van het gehele wereldinkomen.
Ingevolge het derde lid van artikel 24 dient Nederland desalniettemin voor de inkomensbestanddelen als inkomsten uit onroerende zaken en vermogenswinsten, die op grond van het tweede lid van artikel 24 wél in de heffingsgrondslag mogen worden opgenomen, voorkoming te verlenen. Deze voorkoming geschiedt in Nederland volgens de verrekeningsmethode, specifieker de ordinary- creditmethode. Bij toepassing van de ordinary- creditmethode wordt de te verrekenen belasting gemaximeerd tot het bedrag dat in de woonstaat over het buitenlandse inkomensbestanddeel verschuldigd is. Bij de berekening van de binnenlands verschuldigde belasting over het buitenlandse inkomensbestanddeel wordt meestal de evenredigheidsmethode toegepast (gemiddeld tarief).

De verrekeningsmethode kan evenals de vrijstellingsmethode worden onderverdeeld in de volgende vormen:
a. Vermindering aan de top; het buitenlandse inkomen word op het 'bovenste' gedeelte van het wereldinkomen in mindering gebracht, waarna vervolgens op het saldo het tarief wordt toegepast. De vrijstelling geschiedt dan tegen het hoogste effectieve marginale tariefpercentage.
b. Vermindering aan de voet; het buitenlandse inkomen wordt op het 'onderste' gedeelte van het wereldinkomen in mindering gebracht, waarna vervolgens op het saldo het tarief wordt toegepast. De vrijstelling geschiedt nu tegen het laagste marginale tariefpercentage.
c. Vermindering naar het gemiddelde effectieve belastingpercentage in de woonstaat. De vrijstelling vindt dan plaats aan de hand van de evenredigheidsmethode (ook wel vrijstellingsmethode met progressievoorbehoud) tegen de gemiddelde effectieve belastingdruk op het wereldinkomen. Bij een vrijstelling voor inkomensbestanddelen past een staat veelal de evenredigheidsmethode toe.  

Ten aanzien van inkomensbestanddelen die voortvloeien uit onroerende zaken in Portugal verrekent Nederland voorkoming voor het buitenlandse inkomensdeel volgens optie c.
Verrekening vindt dan plaats aan de hand van de evenredigheidsmethode door toepassing van de evenredigheidsbreuk. Globaal bedraagt de vermindering dan de buitenlandse heffingsgrondslag gedeeld door de totale heffingsgrondslag maal de in box 3 verschuldigde belasting. Het heffingsvrije vermogen wordt dus naar evenredigheid verdeeld over het Nederlandse en het niet- Nederlandse deel van de heffingsgrondslag.

Om praktische redenen is er bij binnenlandse belastingplichtigen voor gekozen om de vermindering van inkomstenbelasting ter voorkoming van dubbele belasting voor te laten gaan op de vermindering van de belasting met de heffingskorting. Dit geldt zowel voor de voorkoming op grond van het Bvdb 2001 als voor de voorkoming op grond van belastingverdragen.
De regeling houdt in dat de heffingskorting volledig in mindering wordt gebracht op de belasting over het niet- buitenlandse deel van het inkomen, dat wil zeggen op de belasting waarvoor géén voorkoming wordt verkregen. Feitelijk wordt dan eerst per box de vermindering ter voorkoming van dubbele belasting bepaald. Hierbij wordt uitgegaan van de berekende belasting over die box in de zin van art. 2.7 lid 1 Wet IB 2001.
Voor buitenlandse belastingplichtigen, die ervoor kiezen om als binnenlandse belastingplichtige te worden behandeld, zal wel evenredige toerekening van de heffingskorting aan de Nederlandse en overige inkomens plaatsvinden. Nederland is voor deze belastingplichtigen namelijk bronland en op deze wijze wordt zodoende een opeenhoping van tegemoetkomingen in het woonland voorkomen.
 
 
ONROERENDE ZAKEN IN PORTUGAL IN HET LICHT VAN DE NIEUWE NEDERLANDSE WET INKOMSTENBELASTING 2001

Wet inkomstenbelasting 2001

Met ingang van 1 januari 2001 is in Nederland de nieuwe Wet inkomstenbelasting in werking getreden. Het belangrijkste kenmerk van het nieuwe inkomstenbelastingstelsel is dat het eerdere uitgangspunt, dat alle inkomensbestanddelen bij elkaar moeten worden opgeteld en als geheel moeten worden belast, niet meer wordt gehanteerd. Daarnaast is de belastingvrije som verdwenen, waarvoor de algemene heffingskorting in de plaats is gekomen. De heffingskorting is een vermindering van de af te dragen belasting in plaats van een vermindering van de grondslag.
In het nieuwe stelsel is een onderverdeling gemaakt in drie categorieën: de drie 'boxen'. Iedere box heeft zijn eigen regels en zijn eigen tarief. Een inkomensbestanddeel of vermogensbestanddeel kan in beginsel maar in één box worden belast. De volgorde van de behandeling van de verschillende inkomens- en vermogensbestanddelen is in de wet geregeld.

Het nieuwe inkomstenbelastingstelsel bestaat uit:
Box 1:  Inkomen uit werk en woning (hoofdstuk 3 Wet IB 2001)
Box 2:  Inkomen uit aanmerkelijk belang (hoofdstuk 4 Wet IB 2001)
Box 3:  Inkomen uit sparen en beleggen (hoofdstuk 5 Wet IB 2001)

Box 1 Inkomen uit werk en woning
Box 1 bestaat uit het gezamenlijke bedrag van de belastbare winst uit onderneming, het belastbare loon, het belastbare resultaat uit overige werkzaamheden, de belastbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen, de belastbare inkomsten uit eigen woning (die tot hoofdverblijf dient), de negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen en de negatieve persoonsgebonden  aftrekposten.
Op deze inkomsten kunnen de uitgaven voor inkomensvoorzieningen (bijv. lijfrente en alimentatie), de uitgaven voor kinderopvang en de persoonsgebonden aftrek (bijv. giften en studiekosten) in mindering worden gebracht.
Het saldo van inkomsten min aftrekposten is net als in het oude inkomstenbelastingstelsel belast tegen een progressief tarief. Het nieuwe inkomstenbelastingstelsel kent vier tariefschijven, oplopend van 32,35% in de laagste tot 52% in de hoogste (voor 65- plussers: van 14,45% tot 52%).

Schijventarief Box 1
 Inkomensschijf Procentueel
tarief Procentueel tarief 65- plussers
1e schijf 0 Euro          - 15.331 Euro 32,35%* 14,45%**
2e schijf 15.331 Euro - 27.847 Euro 37,85%* 19,95%**
3e schijf 27.847 Euro - 47.745 Euro 42,00% 42,00%
4e schijf 47.745 Euro - en hoger 52,00% 52,00%
* waarvan 29,4% heffing van premie
** waarvan 11,5% heffing van premie

 


De fiscale behandeling van de woning die tot hoofdverblijf dient is onveranderd gebleven. Het (fictieve) 'inkomen' wordt nog steeds vastgesteld aan de hand van het 'eigen woningforfait' (voorheen huurwaardeforfait). Verder blijft de hypotheekrente- aftrek voor inkomsten uit eigen woning (die tot hoofdverblijf dient) gehandhaafd.

Box 2  Inkomen uit aanmerkelijk belang
Box 2 is bedoeld voor belastingplichtigen, die een bepaald aandeel (5% of meer) hebben in een vennootschap met een in aandelen verdeeld kapitaal. In geval van uitoefening van een BV kan er sprake zijn van een aanmerkelijk belang. De aandeelhouder benoemt zichzelf dan veelal tot directeur en bezit vrijwel alle of het grootste gedeelte van de aandelen. Fiscaal gezien is er in zo'n geval sprake van een directeur- grootaandeelhouder (DGA). Voor een DGA speelt in tegenstelling tot een gewone aandeelhouder de continuïteit van de onderneming een belangrijkere rol dan het rendement op zijn aandelen. Daarom wordt de DGA volgens de wetgever aangemerkt als een bijzondere categorie belastingplichtige met een bijzondere positie. Hij wordt aangemerkt als zijnde aanmerkelijk belanghouder. Het tarief in box 2 is in vergelijking met het oude inkomstenbelastingstelsel 25% gebleven.

Box 3  Inkomen uit sparen en beleggen
De derde box is bestemd voor inkomsten uit sparen en beleggen (ook wel 'overig' vermogen genoemd), zoals beleggingen en tweede huizen.
De hoofdregel is dat voor de waardebepaling van de bestanddelen in box 3 moet worden uitgegaan van de waarde in het economische verkeer. Hiermee wordt de vrije verkoopwaarde bedoeld. De inkomsten uit sparen en beleggen (vermogen) worden niet meer bepaald aan de hand van de werkelijk behaalde rendementen, maar op basis van een forfait (vast percentage).
Het saldo van de vermogensbestanddelen en de bijbehorende schulden worden geacht een vast rendement van 4% per jaar op te leveren. Over deze rendementsgrondslag moet jaarlijks 30% belasting betaald worden, waardoor de heffing dus 1,2% (30% over een fictief rendement van 4%) van het vermogen bedraagt.

In formule vorm is dit:
FR= {(RG op 1 januari + RG op 31 december)/ 2 - HV} x 0,04
FR: forfaitair rendement
RG: rendementsgrondslag
HV: heffingvrij vermogen

Art. 5.2 Wet IB 2001
Het voordeel uit sparen en beleggen wordt gesteld op 4%  (forfaitair rendement) van het gemiddelde van de rendementsgrondslag aan het begin van het kalender jaar (begindatum) en de rendementsgrondslag aan het einde van het kalenderjaar (einddatum), voor zover het gemiddelde meer bedraagt dan het heffing vrije vermogen.

Voor de waardebepaling van de vermogensbestanddelen in box 3 (bijvoorbeeld van een spaarrekening of een persoonlijke lening, voor zover géén eigenwoning schuld) kan dus eenvoudigweg worden uitgegaan van het gemiddelde van het saldo op 1 januari en van 31 december van het betreffende belastingjaar. In geval van een tweede woning, die gedurende het hele jaar wordt verhuurd, is de waarde in het economische verkeer moeilijker vast te stellen. Men dient dan de waarde in de verhuurde staat op 1 januari en op 31 december vast te stellen. Tot op heden zijn hier geen duidelijke regels voor te geven. Op grond van zoveel mogelijk 'bewijzen' moet men de waarde op beide data zo goed mogelijk inschatten.
De kosten die betrekking hebben op inkomsten in box 3 (inclusief de financieringsrente) zijn in het nieuwe stelsel niet meer aftrekbaar.
Hier tegenover staat een vrijstelling van het vermogen (heffingsvrij vermogen), welke bestaat uit een algemene vrijstelling, een kindervrijstelling en een ouderentoeslag. De algemene vrijstelling geldt voor iedere belastingplichtige en bedraagt 17.600 Euro. Op gezamenlijk verzoek van de belastingplichtige en zijn partner kan het heffingsvrije vermogen van de belastingplichtige worden verhoogd tot 35.200 Euro en het heffingsvrije vermogen van de partner verminderd tot nul. Deze vrijstelling is tussen fiscale partners dus overdraagbaar. Van fiscaal partnerschap is sprake ingeval van gehuwden en geregistreerde partners. Ongehuwd samenwonenden kunnen kiezen voor fiscaal partnerschap. Echter, de vrijstelling kan alleen in zijn geheel worden overgedragen en dus niet gedeeltelijk. Wel kan hier ieder jaar weer opnieuw voor worden gekozen.
Het systeem van de inkomensboxen is in principe een gesloten systeem. Dit houdt in dat er niet zomaar geschoven kan worden met aftrekposten tussen de boxen onderling. Op dit principe is één uitzondering, namelijk de persoonsgebonden aftrek, zoals buitengewone uitgaven, giften, verliezen op geldleningen aan beginnende ondernemers, etc. In eerste instantie moeten deze posten worden afgetrokken in box 1 (inkomen uit werk en woning), maar als die in een bepaald kalenderjaar onvoldoende mogelijkheden bieden (door meer aftrekmogelijkheden dan belastbaar inkomen), dan moet het restant worden afgetrokken in box 3 (inkomen uit sparen en beleggen).
Als dat nog steeds niet voldoende is, moet het restant dat dan nog overblijft worden afgetrokken in box 2 (aanmerkelijk belang). Het dan nog overblijvende restant wordt doorgeschoven naar volgende jaren.
Vanwege het principe van de gesloten boxen is het van belang om vast te stellen aan welke bron van inkomen bepaalde schulden moeten worden toegerekend. Schulden die gemaakt zijn voor beleggingen moeten bijvoorbeeld worden meegenomen in de forfaitaire vermogensrendementsheffing.

§8.3 Binnenlands en buitenlandsbelastingplichtigen

Onder de inkomstenbelasting in Nederland vallen uitsluitend natuurlijke personen. Wie van deze natuurlijke personen ingevolge Wet IB 2001 belastingplichtig is kan worden onderverdeeld in drie hoofdcategorieën:
1. De binnenlandse belastingplicht
2. De buitenlandse belastingplicht
3. Het keuzerecht voor buitenlandse belastingplichtigen

Ad. 1 Ingevolge de inkomstenbelasting is er sprake van een binnenlandse belastingplicht (woonplaats,- domiciliebeginsel), indien de woonplaats van een natuurlijk persoon in Nederland ligt. De binnenlandse belastingplicht is een onbeperkte belastingplicht. Dit betekent dat men belastingplichtig is voor het gehele inkomen, vermogen of winst, ongeacht het land van herkomst ('de bron').
Ad. 2 Ingevolge de inkomstenbelasting is er sprake van een buitenlandse belastingplicht, wanneer personen in Nederland inkomen genieten, maar in het buitenland wonen (oorsprong- of situsbeginsel). In deze situatie ligt volgens de Nederlandse wetgeving de 'bron' in Nederland en baseert Nederland dus zijn heffingsbevoegdheid op het bronbeginsel.

Het belang van de fiscale woonplaats is niet alleen dat hierop het onderscheid tussen binnenlandse (onbeperkte) belastingplicht en buitenlandse (beperkte) belastingplicht is gebaseerd.
De woonplaats is ook bepalend voor de vraag of iemand recht heeft op toepassing van een belastingverdrag of het besluit ter voorkoming van dubbele belasting (zie volgende hoofdstuk).

Art. 2.1 Wet IB 2001
1. Belastingplichtigen voor de inkomstenbelasting zijn de natuurlijke personen die:
a. in Nederland wonen (binnenlandsbelastingplichtigen) of
b. niet in Nederland wonen maar wel Nederlands inkomen genieten (buitenlandsbelastingplichtigen)

Ad. 3 Nieuw in de Wet Inkomstenbelasting 2001 is de keuzeregeling, die in werking is getreden voor buitenlandse belastingplichtigen. Ingevolge art. 2.5 lid 4 van de Wet inkomstenbelasting 2001 kunnen bij algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld voor de voorkoming van dubbele belasting bij niet-inwoners (buitenlandse belastingplichtigen), die hebben gekozen voor toepassing van de regels van die wet voor binnenlandsbelastingplichtigen.

In de volgende paragraaf zal nader op dit keuzerecht voor buitenlandse belastingplichtigen worden ingegaan.

Keuzerecht voor buitenlandsbelastingplichtigen
Zoals uit bovenstaande al bleek beschouwd Nederland, de personen die in het buitenland wonen, maar nog inkomensbestanddelen in Nederland hebben als buitenlandse belastingplichtigen. In het oude, voor 2001 geldende belastingstelsel werd inzake de buitenlandse belastingplichtigen als volgt gehandeld.
Een Nederlander, die in het verleden bijvoorbeeld naar Portugal emigreerde, maar (nog) inkomsten genoot in Nederland, werd door de Nederlandse fiscus aangemerkt als zijnde buitenlandse belastingplichtige. Uit fiscaal oogpunt zou het salaris van die persoon dan in Nederland worden belast en overige inkomsten, zoals bijvoorbeeld rente in het woonland (Portugal). In dit geval kon de buitenlandse belastingplichtige ook géén hypotheekrente ten laste brengen van de Nederlandse inkomstenbelasting.

In de nieuwe Wet inkomstenbelasting 2001 bestaat nu de mogelijkheid om als buitenlandse belastingplichtige door de fiscus (indien minimaal een gedeelte van het inkomen in Nederland wordt verdiend) als binnenlandse belastingplichtige te worden behandeld. De belastingplichtige in kwestie dient dan wel inwoner van een lidstaat van de Europese Unie (zoals Portugal) of van een bij ministeriële regeling aangewezen verdragsland te zijn. Opgemerkt dient te worden dat de belastingplichtige op grond van het keuzerecht belast wordt ten aanzien van zijn gehele wereldinkomen. Dit keuzerecht is geregeld in art. 2.5 van de Wet inkomstenbelasting 2001.

Art. 2.5 lid 1 Wet IB 2001
1. De binnenlandse belastingplichtige, die niet gedurende het gehele kalenderjaar in Nederland woont en de buitenlandse belastingplichtige, die als inwoner van een andere lidstaat van de Europese Unie of van een bij ministeriële regeling aangewezen andere mogendheid, waarmee Nederland een regeling ter voorkoming van dubbele belasting is overeengekomen, die voorziet in de uitwisseling van inlichtingen, in de belastingheffing van die lidstaat of mogendheid wordt betrokken, kunnen kiezen voor toepassing van de regels van deze wet voor binnenlandse belastingplichtigen. Voor de toepassing van deze bepaling kunnen bij ministeriële regeling bewijsmiddelen worden voorgeschreven. Een persoon die niet belastingplichtig is kan kiezen voor toepassing van de regels van deze wet voor binnenlandse belastingplichtigen, indien hij daardoor wordt aangemerkt als partner van een belastingplichtige.
De persoonsgebonden aftrek en de negatieve inkomsten uit gemeenschappelijke inkomensbestanddelen blijven buiten aanmerking voor zover deze bij de partner bij de belastingheffing in de woonstaat in aanmerking kunnen worden genomen.
Van belang is dat een keuze voor toepassing van de regels voor binnenlandse belastingplichtige er niet toe leidt, dat de betrokkene binnenlandse belastingplichtige wordt. Hij wordt slechts aangemerkt als binnenlandse belastingplichtige. De wetgever heeft hiermee willen voorkomen, dat niet- belastingplichtigen door een klein stukje inkomen in Nederland gebruik zouden kunnen maken van het Nederlandse verdragennetwerk.

§8.3.2 Waarom een keuzerecht voor buitenlandse belastingplichtigen?
Vóór de nieuwe Wet inkomstenbelasting 2001 waren persoonlijke verplichtingen voor buitenlandse belastingplichtigen alleen in Nederland aftrekbaar, indien men voldeed aan de 90%- regeling. Deze regeling betekende dat de belastingplichtige meer dan 90% van zijn wereldinkomen in de bronstaat (Nederland) moest verdienen. De 90%- regeling ging krachtens Europese jurisprudentie niet ver genoeg in vergelijking met het vrije verkeer van werknemers binnen de Europese Unie (EU). Een voorbeeld van deze Europese jurisprudentie is het Schumacker- arrest, welke in de volgende paragraaf kort zal worden toegelicht.
Nederland heeft daarom een (ruimere) keuzemogelijkheid gecreëerd, zodat geëmigreerde Nederlanders, die nog inkomsten in Nederland genieten, zelf kunnen kiezen voor toepassing van de regels voor binnenlandse belastingplichtige of buitenlandse belastingplichtige.   

§8.3.3 Schumacker- arrest
Art. 2.5 van de Wet inkomstenbelasting 2001 geeft invulling aan het arrest HvJ EG 14 februari 1995, nr. C-279/93, BNB 1995/ 87 (het Schumacker- arrest). Dit arrest speelde zich af tussen de partijen Finanzambt Köln- Altstadt en dhr. R. Schumacker. Dhr. Schumacker (verzoeker) woonde met zijn gezin in België, maar was in Duitsland in loondienst. Het inkomen van het gezin Schumacker (verzoeker) werd uitsluitend gevormd door het salaris van dhr. Schumacker. Het geding ging over de voorwaarden van de belastingheffing inzake de inkomsten verworven uit arbeid in dienstbetrekking in Duitsland. In deze zaak zijn toen een aantal prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese gemeenschappen gesteld. Een prejudiciële vraag is een vraag die door het Hof beantwoord moet worden alvorens op een voorliggend rechtsgeschil beslist kan worden door de nationale rechter. De prejudiciële procedure is géén vorm van hoger beroep. Het Hof besloot naar aanleiding van de prejudiciële gestelde vragen dat dhr. Schumacker in België onvoldoende inkomsten genoot, om aldaar te worden onderworpen aan belastingheffing. Hierbij kon ook rekening worden gehouden met de persoonlijke en gezinssituatie van de heer Schumacker. Aan de hand van dit arrest is dus bepaald dat een in een lidstaat woonachtige werknemer, die in een andere lidstaat zijn inkomen geheel of vrijwel geheel verwerft, in die andere lidstaat niet zwaarder (ongunstiger) mag worden belast dan een inwoner van die andere lidstaat. Het Schumacker- arrest wil echter alléén veilig stellen dat in één van beide staten rekening wordt gehouden met persoonlijke omstandigheden van een belastingplichtige. Het kan dus niet zo zijn dat een buitenlandse belastingplichtige, die in zijn woonstaat voldoende inkomen geniet om aldaar voor geldende aftrekposten in aanmerking te komen, daarnaast ook in Nederland door middel van het keuzerecht opteert volgens de regels die gelden voor een binnenlandse belastingplichtige. Er zou dan immers zowel in de woonstaat als in Nederland rekening worden gehouden met de persoonlijke situatie van de belastingplichtige.

§8.3.4 Oneigenlijk gebruik van het keuzerecht (anti- misbruikbepaling)
In principe kan elk jaar opnieuw voor de keuzeregeling worden gekozen, maar de wet stelt een sanctie op oneigenlijk gebruik van de regeling.


Om misbruik te voorkomen is een bepaling opgenomen, die beoogt te voorkomen dat belastingheffing over bepaalde inkomensbestanddelen in verband met de emigratie van de belastingplichtige kan worden ontgaan door in dat jaar te kiezen voor de toepassing van de regels voor binnenlandse belastingplichtigen. Indien men in enig jaar nog wel buitenlands belastingplichtig is, maar niet meer kiest voor de behandeling als binnenlandse belastingplichtige, dan vindt er een herziening plaats. Dit houdt in, dat bepaalde aftrekposten uit de voorgaande acht kalenderjaren worden teruggenomen indien niet langer gekozen wordt voor het keuzeregime. Wanneer niet langer kan worden gekozen voor het keuzeregime, bijvoorbeeld omdat de belastingplichtige in Nederland gaat wonen of naar een land buiten de Europese Unie (EU) emigreert waarmee Nederland géén verdrag heeft gesloten, dan vindt er géén herziening met betrekking tot de aftrekposten plaats.

Praktijksituatie 1: Hoofdverblijf in Portugal en het keuzerecht van art. 2.5 Wet IB 2001

Deze situatie gaat uit van een persoon die permanent in Portugal woont, maar nog inkomensbestanddelen in Nederland heeft. Fiscaal gezien kan deze persoon dan worden aangemerkt als binnenlandse belastingplichtige (fictieve Nederlandse belastingplicht), wanneer deze persoon gebruik maakt van het keuzerecht van art. 2.5 Wet inkomstenbelasting 2001.
In dit voorbeeld wordt de woning (in Portugal) van de persoon in kwestie gezien als eigen woning (hoofdverblijf) in de zin van art. 3.111 Wet inkomstenbelasting 2001.

Ten aanzien van de volgende aspecten kan het in dit geval voor een buitenlandse belastingplichtige gunstig zijn om te opteren volgens de regels die gelden voor een binnenlandse belastingplichtige (keuzerecht):
1. Hypotheekrente- aftrek
2. Persoonsgebonden aftrekposten en heffingskortingen

Ad. 1 Door te kiezen voor behandeling als binnenlandse belastingplichtige kan men de hypotheekrente van de woning in Portugal (hoofdverblijf) op het in Nederland te belasten salaris in mindering brengen. De woning in Portugal valt dan in box 1. De persoon in kwestie moet dan het eigenwoningforfait (0,8%) van de waarde van de woning in Portugal in de grondslag tot zijn inkomen rekenen. Hij wordt immers in Nederland belast over het gehele wereldinkomen.
Echter, zoals uit het vorige hoofdstuk al bleek is, op grond van art. 6 van het belastingverdrag tussen Nederland en Portugal, de heffing over dit inkomen aan Portugal toegewezen. Nederland moet nu, indien het buitenlandse inkomen in box 1 positief is, belastingvermindering geven ter voorkoming van dubbele belasting. Wanneer het buitenlandse inkomen in box 1 negatief is, bijvoorbeeld als gevolg van de hypotheekrenteaftrek, dan komt dit in mindering op het positieve Nederlandse inkomen. De hypotheekrente- aftrek geldt uitsluitend in het geval de woning in het buitenland tot hoofdverblijf dient en dus niet voor een tweede (vakantie)huis in het buitenland.


Ad. 2 Door te kiezen voor behandeling als binnenlandse belastingplichtige heeft men recht op heffingskortingen en op onder andere de volgende persoonsgebonden aftrekposten:
- uitgaven voor onderhoudsverplichtingen (bijv. alimentatie)
- lijfrente- premies
- uitgaven voor levensonderhoud van kinderen
- kosten voor kinderopvang & scholingsuitgaven
- buitengewone kosten voor ziekte, invaliditeit, overlijden, arbeidsongeschiktheid en adoptie
- kosten voor monumentale panden
- aftrekbare giften
Indien een in eerste instantie buitenlandse belastingplichtige gebruik denkt te kunnen maken van hypotheekrente- aftrek en/ of een aantal van voorgenoemde persoonsgebonden aftrekposten, dan kan het voor die persoon gunstig zijn om te kiezen voor behandeling als binnenlands belastingplichtige.
Ingevolge het keuzerecht krijgt men ook recht op heffingskortingen. Wanneer uitgegaan wordt van de situatie dat iemand samen met zijn partner gebruik maakt van de keuzeregeling  en de partner géén of een gering eigen inkomen heeft dan geldt met betrekking tot de heffingskorting het volgende. Als iemand na aftrek van heffingskortingen en de aftrek ter voorkoming van dubbele belasting nog belasting dient te betalen, dan krijgt zijn partner de heffingskorting geheel of gedeeltelijk uitgekeerd.

In het algemeen kan worden aangegeven, dat het opteren volgens de regels die gelden voor een binnenlandse belastingplichtige alléén voordelen biedt, indien een substantieel gedeelte van het wereldinkomen in Nederland wordt behaald. Echter, er kunnen géén specifieke uitspraken worden gedaan over de vraag of het voor iemand, die permanent in Portugal woont maar nog inkomensbestanddelen in Nederland heeft gunstig is om te opteren volgens de regels die gelden voor een binnenlandse belastingplichtige. Dit is namelijk sterk afhankelijk van iemands persoonlijke situatie.
Kortweg kan de keuze voor de binnenlandse belastingplichtig op grond van bovengenoemde aspecten financieel interessant zijn, maar voor een wel overwogen keuze is deskundige begeleiding en een professionele berekening van iemands inkomen van groot belang. 

Tenslotte zullen ten aanzien van  de omvangrijke (internationale) regelgeving inzake pensioenen en AOW- uitkeringen, in het bestek van deze scriptie, slechts enkele voor Nederlandse huiseigenaren in Portugal relevante opmerkingen worden geplaatst.
Voor een pensioengerechtigde inwoner van Portugal met een Nederlandse nationaliteit wordt het pensioen ingevolge art. 18 lid 1 van het belastingverdrag tussen Nederland en Portugal in principe in Portugal belast. Alleen wanneer er aan drie voorwaarden is voldaan komt het heffingsrecht toe aan het land waar het pensioen is opgebouwd. Deze voorwaarden kan men vinden in art. 18 lid 2 sub a, b en c.
Pensioengerechtigde inwoners van Portugal, die géén inkomsten in Nederland (meer) genieten kunnen géén gebruik (meer) maken van het keuzerecht.
Mocht een gepensioneerde inwoner van Portugal een uitkering ontvangen krachtens de AOW dan is deze uitkering ingevolge art. 18 lid 1 (laatste volzin) van het belastingverdrag tussen Nederland en Portugal, in Nederland belast. De AOW- uitkering valt namelijk onder het sociale zekerheidsstelsel van Nederland.


Praktijksituatie 2: Hoofdverblijf in Nederland en tweede (vakantie)huis in Portugal in particulier bezit 

Deze situatie gaat uit van een persoon, die in Nederland woont (binnenlandse belastingplichtige) en een tweede (vakantie)huis heeft in Portugal in particulier bezit. 
Allereerst is de fiscale behandeling van een tweede woning in het buitenland in het nieuwe Nederlandse belastingstelsel 2001 totaal anders geregeld dan in het oude (tot en met 2000 geldende), stelsel.
In de nieuwe Wet inkomstenbelasting 2001 vindt de heffing van inkomstenbelasting over een tweede (vakantie)woning in het buitenland in particulier bezit plaats in box 3. Dit is de forfaitaire vermogensrendementsheffing.
Indien de tweede woning in belangrijke mate, dat wil zeggen voor ten minste 30% van de tijd voor eigen gebruik ter beschikking staat, geldt de W.O.Z.- waarde van deze woning als waarderingsmaatstaf in box 3. Voor een woning in het buitenland geldt de 'leegwaarde' per 1 januari 1999 (de W.O.Z.- peildatum).
Indien de woning voor meer dan 70% van de tijd niet voor eigen gebruik ter beschikking staat, dan geldt de woning doorgaans eerder als beleggingspand dan als tweede (vakantie)woning. In dat geval dient men volgens de hoofdregel van box 3 de gemiddelde waarde in het economische verkeer per peildatum 1 januari en 31 december aan te geven.
De ter financiering van de aankoop en/ of verbouwing van de tweede (vakantie)woning aangegane (al dan niet hypothecaire) geldlening valt eveneens in box 3. Ook wanneer men daartoe een hypothecaire geldlening op de tot het hoofdverblijf dienende eigen woning heeft afgesloten.

Zoals uit bovenstaande blijkt kan een tweede woning in het buitenland (Portugal) fiscaal gezien als belegging of als vakantiewoning worden aangemerkt. Voor beide situaties valt de heffing hierover voor binnenlandse belastingplichtigen in box 3. Deze belastingplichtigen dienen dan jaarlijks het forfaitaire rendement tot hun inkomen te rekenen.
Echter, zoals in het vorige hoofdstuk al kon worden gelezen komt ingevolge het gesloten belastingverdrag tussen Nederland en Portugal, de heffing over voordelen uit een onroerende zaak (art. 6) en de heffing over vervreemdingswinsten (art. 13) toe aan de staat waarin de desbetreffende onroerende zaken zijn gelegen. In dit geval dus aan Portugal.
Op grond van art. 24 van het verdrag dient Nederland nu voorkoming van dubbele belasting te geven volgens de verrekeningssmethode.
Dit houdt in dat de onroerende zaak gelegen in Portugal in eerste instantie wel in de Nederlandse heffingsgrondslag (box 3) moet worden opgenomen (men wordt immers als binnenlandse belastingplichtige belast over het gehele wereldinkomen), maar dat Nederland deze daarna vermindert met het bedrag van de belasting die geacht wordt samen te hangen met de buitenlandse onroerende zaak (de voorkoming).
Met het onderstaande voorbeeld zal worden getracht hetgeen hierboven staat beschreven te verduidelijken. Het voorbeeld dient alleen om de wijze van de voorkoming van dubbele belasting te schetsen en is vanwege de complexiteit van de materie eenvoudig gehouden.

Voorbeeld:   
De heer Van Gogh woont in Nederland en belegt in een tweede woning in Portugal. De waarde hiervan bedraagt 250.000 Euro. De heer Van Gogh heeft de aankoop van deze belegging gefinancierd met een hypotheek van 75% van de aankoopsom (187.500 Euro). Verder geniet de heer Van Gogh uit zijn tweede woning in Portugal huuropbrengsten (voordelen uit een buitenlandse onroerende zaak), welke 20.000 Euro bedragen.
In Portugal is de onroerende zaak onderworpen aan belasting naar het inkomen.
De grondslag in box 3 bedraagt voor de heer Van Gogh 62.500 Euro (250.000 - 187.500). Hierover is hij in beginsel 7500 Euro inkomstenbelasting verschuldigd (1,2% van 82.500). Echter, op grond van art. 24 lid 3 van het gesloten belastingverdrag tussen Nederland en Portugal heeft de heer Van Gogh recht op 750 Euro voorkoming van dubbele belasting. In Nederland is de heer Van Gogh t.a.v. zijn tweede woning in Portugal dus effectief géén inkomstenbelasting verschuldigd.

Ten aanzien van dit voorbeeld dient nog te worden opgemerkt dat de huuropbrengsten uit de tweede woning in Portugal niet tot het wereldinkomen in Nederland behoren. De huuropbrengsten worden in Nederland niet belast. Echter, in dit geval diende Nederland al op grond van art. 24 lid 3 van het verdrag voor alle inkomsten uit onroerende zaken voorkoming te verlenen. Hiertoe behoren ook de huuropbrengsten.

Praktijksituatie 3: Hoofdverblijf in Nederland en tweede (vakantie)huis in Portugal ondergebracht in een offshore company

Deze situatie gaat uit van een persoon, die in Nederland woont (binnenlandse belastingplichtige) en een tweede (vakantie)huis heeft in Portugal, die is ondergebracht in een offshore company. In Portugal wordt Gibraltar veelal gebruikt voor het onderbrengen van onroerende zaken in een offshore company. Offshore company' s kunnen ook gevestigd zijn op Jersey, Guernsey of Isle of Man. Dit worden ook wel 'Taxhavens' genoemd.

Volgens art. 4.6 Wet inkomstenbelasting 2001 kan een offshore company voor een binnenlandse belastingplichtige worden aangemerkt als zijnde een aanmerkelijk belang. Een aanmerkelijk belang wordt ingevolge de Wet inkomstenbelasting 2001 belast in box 2 tegen een percentage van 25%.

Art. 4.6 Wet IB 2001
Een belastingplichtige heeft een aanmerkelijk belang indien hij, al dan niet tezamen met zijn partner, direct of indirect:
a. voor ten minste 5% van het geplaatste aandelenkapitaal aandeelhouder is in een vennootschap, waarvan het kapitaal geheel of ten dele in aandelen is verdeeld.

Er zijn 2 mogelijkheden om als aanmerkelijk belanghouder van een offshore company te worden aangemerkt:
a. Een persoon, die onroerende zaken in Portugal koopt, richt zelf een offshore company op. De koper stort dan een bedrag op de rekening van de offshore company en koopt als aanmerkelijk belanghouder van de offshore company een woning respectievelijk een stuk grond.
b. Een persoon koopt (de aandelen van) een bestaande offshore maatschappij met als enig bezit een woning resp. stuk grond. De persoon in kwestie is dan vaak enig aandeelhouder van de offshore company en verkrijgt dan een aanmerkelijk belang.

Indien een inwoner van Nederland, onroerende zaken in Portugal heeft ondergebracht in een offshore company, dan wordt deze persoon dus ingevolge de Wet inkomstenbelasting 2001 aangemerkt als zijnde aanmerkelijk belanghouder (a.b.- houder). De inwoner van Nederland kan nu als aanmerkelijk belanghouder in de twee gevallen worden belast in box 2.
1. In geval van winst (door bijv. waardestijgingen) bij verkoop van de aandelen (van de  onroerende zaak)
2. In geval van dividend (bijvoorbeeld huuropbrengsten voor de aanmerkelijk belanghouder)

Ad. 1 Winst (door bijv. waardestijgingen) bij verkoop van de aandelen (van de onroerende zaak)
Met betrekking tot onroerende zaken in Portugal ondergebracht in een offshore company is de offshore company (als eigenaar) géén inwoner van Nederland, maar van bijvoorbeeld Gibraltar. De inwoner van Nederland is slechts direct eigenaar van de offshore company, maar indirect van de onroerende zaak.
Het gesloten belastingverdrag tussen Nederland en Portugal is in dit geval niet van toepassing. Immers, de offshore company is géén inwoner van Nederland of Portugal. Bij de belastingheffing krijgt men nu te maken met drie landen waar belasting kan worden geheven, te weten; Gibraltar, Portugal en Nederland. 

   G (offshore company)     
     P       N (inwoner)
(onroerende zaak)  

In eerste instantie zal voor de belastingheffing over de verkoopwinst gekeken moeten worden naar de situatie tussen Portugal en Gibraltar. Indien er géén belastingverdrag is tussen Portugal en Gibraltar dan heft Portugal. Zoals in hoofdstuk 6 al is beschreven bestaan de voordelen van het bezit van onroerende zaken in Portugal, ondergebracht in een offshore company, onder andere uit voorkoming van Portugese vermogenswinstbelasting en overdrachtsbelasting (SISA). In Portugal hoeft hierover derhalve géén belasting betaald te worden.
In tweede instantie wordt er gekeken naar de situatie tussen Gibraltar en Nederland. Er bestaat géén belastingverdrag tussen Nederland en Gibraltar respectievelijk andere 'Taxhavens'. In eerste instantie komt de behaalde verkoopwinst dus toe aan de eigenaar van de offshore company (Gibraltar). De inwoner van Nederland, die indirect eigenaar is van de onroerende zaak, zal op een gegeven moment wellicht over de verkoopwinst willen beschikken. Op dat moment dient de inwoner van Nederland hierover belasting te betalen.
Als binnenlandse belastingplichtige is de verkoopwinst (van het aanmerkelijk belang) namelijk wel in Nederland belast.
Wanneer een binnenlandse belastingplichtige bijvoorbeeld aandelen van een offshore company koopt voor 500.000 Euro en deze een jaar later weer verkoopt voor 750.000 Euro, dan dient deze persoon 25% belasting te betalen over de behaalde verkoopwinst á 50.000 Euro.

Ad. 2 Huuropbrengsten (in feite dividend voor de aanmerkelijk belanghouder)
Wanneer nu een Nederlander via een offshore company een huis in Portugal heeft gekocht en het huis verhuurt, komen de huurinkomsten toe aan de eigenaar van het huis. De eigenaar van het huis is de offshore company (de Nederlander is slechts indirect eigenaar van de onroerende zaak).
In eerste instantie zal dus voor de belastingheffing over de huuropbrengsten net als bij de belasting over verkoopwinst, gekeken moeten worden naar de situatie tussen Portugal en Gibraltar. De huuropbrengsten komen dan voor rekening van de offshore company.
In tweede instantie wordt er gekeken naar de situatie tussen Gibraltar en Nederland. Er bestaat géén belastingverdrag tussen Nederland en Gibraltar respectievelijk andere 'Taxhavens'. Op een gegeven moment wil de inwoner van Nederland, die indirect eigenaar is van de onroerende zaak, waarschijnlijk over de huuropbrengsten kunnen beschikken.
De Nederlander, die een aanmerkelijk belang heeft in de offshore company (te vergelijken met een enige Nederlandse aandeelhouder, DGA), die een winstuitkering doet (huuropbrengsten verkregen vanuit de offshore maatschappij), is dan voor de Nederlandse belastingheffing belast tegen 25% inkomstenbelasting in box 2.

 

Date Inserted: 26 December 2002
Last Updated: 12 January 2003
 
Have questions or comments on this article? email me

 

email article print article

 

| Property Management | Property Rentals | Real Estate | Real Estate Activities | Web Design | Search engine Multi Lingual |

Copyright © 2002-2008 Ricola Algarvia Ldª. All rights reserved. Legal Notices | Privacy Policy
Protected by the copyright laws of the EU and by international treaties.

a site by
Foresight eSolutions